kippen in de veehouderij

Op de boerenbedrijven van voor de oorlog liepen kippen veelal vrij rond op het erf. Ze scharrelden zelf hun voedsel bij elkaar, zoals insecten en zaden en werden bijgevoerd met restjes uit de keuken. De kippen hadden veel bewegingsvrijheid en werden beschermd door een alerte haan. Kippen waren in die tijd vooral een aanvulling op het inkomen en voedsel van het gezin, geen onderdeel van een grootschalige industrie.

Industrialisatie

Na de oorlog verdween de kip geleidelijk van het boerenerf. Kippen werden steeds vaker in grote aantallen gehouden, niet langer in de buitenlucht maar in gesloten stallen. Binnen deze stallen werd gewerkt aan ideale omstandigheden voor een zo efficiënt mogelijke productie. Denk hierbij aan kunstlicht, een constante temperatuur en speciaal samengesteld voer.

Van nature gaan kippen in de winter in rust; ze leggen dan nauwelijks eieren. In een gesloten stal ervaart de kip echter geen seizoensveranderingen meer: door manipulatie van licht en temperatuur legt zij het hele jaar door eieren. Tegelijkertijd bouwen de dieren in deze omgeving nauwelijks weerstand op. Ze worden bij de geboorte weliswaar gevaccineerd tegen besmettelijke ziektes zoals pokken, luchtweginfecties en virussen, maar blijven kwetsbaar.

Waar de kip voorheen werd gehouden voor zowel vlees als eieren, werd er steeds vaker op slechts één van deze aspecten doorgefokt. Zo ontstonden er rassen die specifiek gericht zijn op vleesproductie en rassen die juist zijn ontwikkeld voor de productie van eieren.

Hieronder is een video te zien over de ontwikkeling van het houden van kippen over de periode van 3000 v.C. tot 2014. 

Vleeskippen

Onder andere in de Verenigde Staten begon men kippen doelgericht te fokken op snelle groei en een hoog gewicht. Door intensieve selectie, aangepast voer en industriële houderij groeiden kippen steeds sneller. Waar een kip van nature maanden nodig had om het ideale slachtgewicht te bereiken, kon dit tegen het einde van de 20e eeuw al in ongeveer zes weken.

Rond 2010 raakte de Nederlandse consument bekend met de term ‘plofkip’, een benaming voor kuikens die extreem snel groeien. Binnen zes weken woog zo’n kuiken tussen de 2 en 2,5 kilogram, tegenover de 1 tot 1,5 kilogram die een kuiken van nature rond die leeftijd zou wegen.

Ondanks de kritiek op de plofkip is de situatie voor moderne vleeskuikens nog niet ingrijpend verbeterd. Kuikens met één ster van het Beter Leven-keurmerk krijgen ongeveer zeven tot acht weken om een gewicht van 2,2 tot 2,5 kilogram te bereiken. Biologische vleeskuikens, met drie sterren, hebben hiervoor tien tot twaalf weken.

De kuikens leven met duizenden soortgenoten in een gesloten stal, met een bezetting van 12 tot 20 dieren per vierkante meter. Na ongeveer veertig dagen worden ze gevangen en in kratten naar het slachthuis vervoerd. Tijdens dit vangproces loopt naar schatting 8 tot 10% van de dieren botbreuken op.

Legkippen

In tegenstelling tot een vleeskuiken ziet een leghen er een stuk ‘normaler’ uit. Het zijn ranke dieren die zijn gefokt op een hoge eiproductie. Wanneer de hennen ongeveer vijf maanden oud zijn, beginnen ze met het leggen van eieren. Tot een leeftijd van 20 tot 24 maanden produceren ze vrijwel dagelijks een ei, waarna de productie afneemt. Vervolgens worden de kippen afgevoerd naar het slachthuis. Deze dieren eten wij in Nederland niet op, ze worden verwerkt in bouillon of geëxporteerd naar het buitenland. Leghennen worden niet ouder dan 20 tot 24 maanden.

Een relatief klein deel van de leghennen in Nederland leeft nog in kooien. Dit zijn ruimtes waarin enkele tientallen kippen samenleven. In zo’n kooi heeft elke kip ongeveer de ruimte van een A4’tje. De koloniekooi is echter langzaam aan het verdwijnen; momenteel wordt nog ongeveer 12% van de leghennen in Nederland op deze manier gehouden.

Het grootste deel van de kippen, zo’n 60%, leeft in een ‘scharrelstal’. Dit is een ruimer opgezet systeem dan de eerder genoemde koloniekooi. De kippen leven hier samen in een gesloten stal, met ongeveer negen dieren per vierkante meter. Ze hebben dus meer ruimte dan in een kooi, maar de omstandigheden blijven beperkt, mede door de grote aantallen dieren.

Van nature leeft een kip in een groep van maximaal tien soortgenoten. Uit onderzoek blijkt dat een kip ongeveer 80 tot 100 soortgenoten kan herkennen en onthouden. Binnen zo’n groep kan een kip de anderen dus individueel herkennen, wat belangrijk is voor rust en stabiliteit: elke kip kent haar plaats in de pikorde. Wanneer de groep groter wordt dan circa 80 dieren, moet die pikorde voortdurend opnieuw worden vastgesteld, wat leidt tot stress en onrust.

Daarnaast letten kippen sterk op elkaars geluiden en gebruiken ze deze om te communiceren. In de grote, drukke stallen van de intensieve veehouderij, waar duizenden kippen bij elkaar leven, is die communicatie echter moeilijk. Dit belemmert hun natuurlijke sociale gedrag en draagt bij aan stress binnen de groep.

Aan het einde van de legperiode zijn de hennen extra kwetsbaar. Door de dagelijkse eiproductie ontstaat vaak een chronisch calciumtekort, waardoor de botten brozer worden. In combinatie met botontkalking, het opspringen tegen obstakels in de stal, stress en de manier waarop de kippen worden gevangen, leidt dit er regelmatig toe dat veel hennen botbreuken oplopen. ÉénVandaag wijde hier een artikel aan: Miljoenen leghennen leven in pijn door borstbeenbreuken.

De haantjes

De vleeskuiken industrie maakt geen onderscheid tussen mannelijke en vrouwlijke kuikens. Beide leveren vlees. Dit is niet het geval voor leghennen. Deze industrie bestaat enkel uit vrouwlijke dieren. De haantjes leggen immers geen eieren. 

Leghennen en hun broertjes beginnen hun leven in een broederij, waar eieren kunstmatig worden uitgebroed. Nadat de eieren zijn uitgekomen worden de haantjes direct vergast of versnippert. Het heeft geen zin om deze haantjes groot te brengen voor het vlees, ze zijn namelijk, net als hun zusjes, geselecteerd op het leggen van eieren. Niet op de productie van vlees. 

Er bestaan ook zogenaamde dubbeldoel rassen. In tegenstelling tot de sterk gespecialiseerde rassen uit de industrie combineert deze kip beide ‘functies’ in éen. De hennen leggen eieren en de haantjes worden grootgebracht voor het vlees. De industrie kiest helaas voor de hoog productieve rassen, die presteren immers beter. Een voorbeeld van het gebruik van dubbeldoel rassen is hier te vinden.